ECLI:NL:CRVB:2016:3005
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verlenging indicatie AWBZ-zorg wegens voorliggende Zvw-behandeling
Appellante, met een tijdelijke verblijfstatus en lijdend aan PTSS en ernstige recidiverende depressie, vroeg verlenging van haar AWBZ-zorgindicatie aan. Het CIZ wees deze aanvraag af op grond van een medisch advies dat adequate behandeling binnen de Zvw voorliggend achtte.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellante ging in hoger beroep. Zij voerde aan dat zij uitbehandeld was en niet altijd aanspraak had op Zvw-zorg vanwege een periode van illegaal verblijf.
De Raad oordeelde dat het medisch advies zorgvuldig was opgesteld, mede gebaseerd op dossierstudie en recente medische informatie. Hoewel cognitieve gedragstherapie onvoldoende effect had, was behandeling gericht op suïcidaliteit en depressie nog mogelijk en voorliggend op AWBZ-zorg.
Aanvullende medische informatie bevestigde dat verdere intensieve behandeling niet mogelijk was, maar dat de diagnose en behandeling adequaat waren beoordeeld. De Raad verwierp het beroep en bevestigde de eerdere uitspraak, waarbij ook werd vastgesteld dat appellante met haar tijdelijke verblijfstatus aanspraak had op Zvw-zorg.
De Centrale Raad van Beroep wees het hoger beroep af en bevestigde de afwijzing van de verlenging van de AWBZ-zorgindicatie.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de verlenging van de indicatie voor AWBZ-zorg.