ECLI:NL:CRVB:2016:2997
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geschiktheid voor arbeid ondanks Ehlers-Danlos syndroom bij uitkering Ziektewet
Appellante, die sinds 1998 een WAO-uitkering ontving, werd door het UWV per 15 juni 2004 als geschikt voor haar arbeid beschouwd, waarna haar uitkering werd ingetrokken. Zij werkte sindsdien in aangepaste vorm in de kwekerij van haar vader. Na beëindiging van haar dienstverband op 1 januari 2007 stelde het UWV vast dat zij vanaf die datum geschikt was voor haar laatst verrichte arbeid en weigerde zij ziekengeld toe te kennen.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij ongeschikt was vanwege het Ehlers-Danlos syndroom (EDS) en dat het UWV ten onrechte geen rekening hield met haar vermoeidheids- en gewrichtsklachten. Het UWV stelde dat de maatstaf arbeid correct was vastgesteld op 20 uur per week aangepast werk en dat de medische gegevens geen aanleiding gaven tot een ander oordeel.
De Raad oordeelde dat het UWV terecht uitging van de juiste urenomvang en zwaarte van het werk. De medische rapporten toonden aan dat de beperkingen door EDS en vermoeidheidsklachten pas na 2013 duidelijk werden en dat op de datum in geding appellante in staat was tot het verrichten van haar aangepaste deeltijdwerk. De Raad vond geen aanleiding voor nader medisch onderzoek en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit dat appellante geschikt was voor haar arbeid wordt bevestigd.