ECLI:NL:CRVB:2016:2966
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beslissing over vergoeding reiskosten militair op grond van 19-uurscriterium en gelijkheidsbeginsel
Appellant, werkzaam als militair bij een defensieonderdeel, verzocht om vergoeding van reiskosten voor 23 dienstreizen in de periode augustus 2009 tot april 2011. De minister kende vergoeding toe voor twee reizen en wees de overige af. Na vernietiging van eerdere uitspraken door de Raad werd het besluit van de minister herbeoordeeld.
De kern van het geschil betrof de toepassing van het 19-uurscriterium uit artikel 3 van Pro de Regeling en de vraag of reizen tijdens reservedienst op het huisadres vergoed konden worden. De Raad bevestigde dat een reservedienst deel uitmaakt van het rooster, waardoor het 19-uurscriterium niet wordt gehaald. Ook bood het Verplaatsingskostenbesluit militairen (VKBM) geen grondslag voor vergoeding van de overige reizen.
Verder werd het beroep op het gelijkheidsbeginsel afgewezen, omdat onderzoek uitwees dat appellant niet anders werd behandeld dan collega’s en dat er geen sprake was van een ruimhartiger vergoeding elders. De Raad concludeerde dat de minister het besluit terecht handhaafde en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het besluit van de minister tot afwijzing van vergoeding wordt bevestigd.