Uitspraak
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant was sinds 1994 werkzaam als penitentiair inrichtingswerker en kreeg in 2004 reeds disciplinaire maatregelen opgelegd wegens plichtsverzuim. Na een eerdere procedure werd het onvoorwaardelijk ontslag herroepen en vervangen door voorwaardelijk ontslag, waarna appellant zijn werkzaamheden hervatte.
In 2013 werd appellant aangehouden wegens huiselijk geweld, waarna een disciplinair onderzoek werd ingesteld. Uit het onderzoek bleek dat appellant meerdere strafbare feiten had gepleegd en dit niet had gemeld aan zijn leidinggevenden, wat in strijd was met de integriteitseisen en ambtseed.
De minister legde daarop onvoorwaardelijk ontslag op, wat door de rechtbank werd bevestigd. In hoger beroep stelde appellant dat hij niet op de hoogte was van een meldplicht, maar de Raad oordeelde dat gezien zijn functie en voorbeeldrol van hem verwacht mocht worden dat hij zijn betrokkenheid bij justitie zou melden.
De Raad achtte het ontslag niet onevenredig gezien de ernst en herhaling van de strafbare feiten, waaronder geweldsdelicten, en het voortdurende gedrag zelfs na het eerdere ontslag. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het onvoorwaardelijk strafontslag wegens plichtsverzuim en herhaalde strafbare feiten.