ECLI:NL:CRVB:2016:2673
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor werkzaamheden als coffeeshopmedewerker
Appellant was werkzaam als medewerker in een coffeeshopbranche en meldde zich op 12 april 2012 ziek vanwege schouderklachten, pijnlijke voeten en problemen met een rokerige werkomgeving. Het UWV kende hem een Ziektewetuitkering toe. Op 18 september 2013 besloot het UWV deze uitkering te beëindigen omdat appellant weer geschikt zou zijn voor zijn werkzaamheden.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, stellende dat zijn werk zwaardere taken omvatte dan erkend, zoals het tillen van zware kratten en het verplaatsen van emmers water. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellant de vastgestelde beperkingen niet had betwist en akkoord was met de arbeidskundige rapportage.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank. De arbeidsdeskundige had de werkplek bezocht en een gedetailleerd rapport opgesteld, dat door appellant was erkend. Het tillen van goederen vormde slechts een gering deel van de werkzaamheden naast de hoofdtaak als verkoper van softdrugs. De vastgestelde beperkingen werden niet overschreden. Daarnaast heeft appellant recht op een rookvrije werkplek volgens de huidige regelgeving.
De Raad concludeerde dat er voldoende medische en arbeidskundige grondslag is voor de beëindiging van de Ziektewetuitkering en bevestigde de eerdere uitspraak. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht meer heeft op Ziektewetuitkering omdat hij geschikt is voor zijn werkzaamheden.