ECLI:NL:CRVB:2016:2655
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemelde werkzaamheden
Appellant ontving vanaf maart 2012 bijstand op grond van de WWB. Naar aanleiding van een vermoeden dat appellant werkzaamheden verrichtte in het bedrijf van zijn broer, voerde de sociale recherche een onderzoek uit. Dit leidde tot het besluit van het college om de bijstand met ingang van oktober 2012 in te trekken en de kosten terug te vorderen.
De rechtbank stelde vast dat appellant werkzaamheden verrichtte vanaf januari 2013, maar vond onvoldoende bewijs voor werkzaamheden vanaf oktober 2012. Het college herzag daarop het besluit en beperkte de terugvordering tot de periode vanaf januari 2013. Zowel de tussenuitspraak als de einduitspraak van de rechtbank werden aangevochten door appellant.
De Raad oordeelt dat het college de motivering voor het besluit voldoende heeft gegeven en dat appellant geen dringende redenen heeft aangetoond om van terugvordering af te zien. De financiële gevolgen zijn niet onaanvaardbaar en het college is nog niet tot invordering overgegaan. De Raad bevestigt daarom de aangevallen uitspraken en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand zonder kwijtschelding wegens het ontbreken van dringende redenen.