ECLI:NL:CRVB:2016:2625
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verwijtbare werkloosheid en geen herleving WW-uitkering na ontslag
Appellant ontving een WW-uitkering vanaf januari 2013 en was daarna tijdelijk ziek met een Ziektewet-uitkering. Vanaf februari 2014 trad hij in dienst bij een werkgever, maar nam ontslag in maart 2014 wegens een onwerkbare en onmenselijke werksituatie. Hij verzocht het UWV om herleving van zijn WW-uitkering.
Het UWV besloot dat appellant verwijtbaar werkloos was geworden en keerde de herleefde WW-uitkering niet uit. Appellant maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond wegens onzorgvuldige voorbereiding, maar handhaafde de rechtsgevolgen op basis van aanvullende medische informatie.
In hoger beroep stelde appellant dat hij impulsief ontslag had genomen door een oncontroleerbare reactie en dat de werksfeer vijandig was. De Raad oordeelde dat er geen acute noodzaak was om ontslag te nemen en dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zijn werkloosheid niet verwijtbaar was. Het neuropsycho-fysiologisch onderzoek toonde intacte impulscontrole aan.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verwierp het verzoek tot benoeming van een deskundige. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De WW-uitkering wordt niet herleefd omdat het ontslag verwijtbaar is.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WW-uitkering niet herleeft omdat appellant verwijtbaar werkloos is geworden door zijn ontslag.