ECLI:NL:CRVB:2016:2305
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vrij te laten deel immateriële schadevergoeding bij bijstandsverlening
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) sinds maart 2012. In 2013 ontving appellante een schadevergoeding van €57.000,- vanwege onzorgvuldig handelen van een ziekenhuis na een ongeval in 2006. Het college stelde de bijstand stop vanwege deze vergoeding, omdat niet duidelijk was welk deel vrijgelaten moest worden.
De rechtbank oordeelde dat het bedrag van €32.390,47 geheel immateriële schadevergoeding betrof en vernietigde het besluit van het college. Het college wijzigde daarop de motivering en hield rekening met een vrij te laten deel van 1/3 van de immateriële schadevergoeding, aansluitend bij eerdere jurisprudentie. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en stelde dat het college terecht het vermogen inclusief 2/3 van de immateriële schadevergoeding in aanmerking nam.
In hoger beroep betoogden appellanten dat het college onvoldoende rekening hield met het feit dat de schadevergoeding was gebruikt om leningen af te lossen, en dat het niet redelijk was om 2/3 deel als vermogen te rekenen. De Raad oordeelde dat het college een redelijke afweging had gemaakt, dat het niet relevant is hoe de vergoeding besteed is, maar of de grens van het vrij te laten vermogen wordt overschreden.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verwierp het hoger beroep. Daarmee is het standpunt van het college dat 1/3 deel van de immateriële schadevergoeding buiten beschouwing blijft en 2/3 deel als vermogen wordt gerekend, gegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het college mag 2/3 deel van de immateriële schadevergoeding als vermogen meenemen bij de bijstandsverlening.