ECLI:NL:CRVB:2005:AU3208
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- R.H.M. Roelofs
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstandsuitkering wegens vermogen boven vermogensgrens en beoordeling schade-uitkering
Appellante had een bijstandsuitkering toegekend gekregen, maar deze werd ingetrokken omdat zij beschikte over een vermogen boven de toegestane vermogensgrens. Bij een nieuwe aanvraag werd de bijstand opnieuw geweigerd op grond van hetzelfde vermogen. Appellante voerde in hoger beroep aan dat de bijstand eerder dan de aanvraagdatum had moeten worden beoordeeld en dat de volledige schade-uitkering wegens immateriële schade buiten beschouwing had moeten worden gelaten.
De Raad overwoog dat het intrekkingsbesluit onherroepelijk was en dat de aanvraag van 8 april 2002 leidend was voor de beoordeling. Verder stelde de Raad vast dat appellante een schade-uitkering had ontvangen die deels als immateriële schadevergoeding was aangemerkt. De Raad vond het terecht dat slechts een derde deel van deze schade-uitkering buiten beschouwing was gelaten, conform artikel 52 van Pro de Algemene bijstandswet.
Ten slotte oordeelde de Raad dat de berekeningswijze van het vrij te laten vermogen correct was toegepast en dat het resterende vermogen boven de vermogensgrens lag, waardoor de bijstand terecht was geweigerd. Het hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard en het besluit tot weigering van bijstand wegens vermogen boven de vermogensgrens is bevestigd.