Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
in totaal € 167,- vergoedt.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, een Marokkaanse staatsburger met een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd sinds 1994, ontving bijstand op grond van de WWB. De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft zijn verblijfsvergunning ingetrokken met terugwerkende kracht per 11 december 2012 en een zwaar inreisverbod van 10 jaar opgelegd vanwege een ernstige bedreiging voor de openbare orde.
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam trok de bijstand van appellant in per 28 april 2014, omdat hij geen geldige verblijfstitel meer had. Appellant maakte bezwaar en beroep tegen deze intrekking. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellant in de periode van 28 april tot 2 juni 2014 niet gelijkgesteld kon worden met een Nederlander en dus geen recht op bijstand had.
In hoger beroep stelde appellant dat hij recht had op bijstand omdat hem was toegezegd niet te worden uitgezet totdat op het beroep in de verblijfsprocedure was beslist. De Raad oordeelde dat het vreemdelingenrechtelijke besluit, dat op 14 mei 2014 aan appellant werd uitgereikt, bepaalt dat hij geen rechtmatig verblijf meer had vanaf die datum. De toezegging tot niet-uitzetting wijzigde hier niets aan.
De Raad stelde dat de intrekking van de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht niet betekent dat de eerder verleende bijstand over die periode kan worden ingetrokken of teruggevorderd vanwege het rechtszekerheidsbeginsel. Daarom mocht het college de bijstand pas intrekken vanaf 14 mei 2014. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, de eerdere uitspraak vernietigd en het college werd veroordeeld tot het terugbetalen van bijstand over de periode van 28 april tot 14 mei 2014.
Uitkomst: De bijstand mag pas worden ingetrokken vanaf de datum van het vreemdelingenrechtelijke besluit, en het college moet bijstand over de eerdere periode terugbetalen.