ECLI:NL:CRVB:2016:2263
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Verzoeker ontving bijstand sinds 2004 en stond ingeschreven op het adres van zijn ouders. Sinds 2 mei 2014 woont ook zijn partner G, met Canadese nationaliteit en verblijfsvergunning, op dat adres. Het college trok de bijstand van verzoeker per 21 juli 2015 in omdat hij een gezamenlijke huishouding voert met G en daardoor geen zelfstandig subject van bijstand is.
De voorzieningenrechter van de rechtbank verklaarde het beroep tegen deze intrekking ongegrond. Verzoeker ging in hoger beroep en vroeg een voorlopige voorziening om bijstand te continueren naar de norm voor een alleenstaande, met beroep op het individualiseringsbeginsel van artikel 18 PW Pro, omdat een aanvraag naar gehuwdennorm gevolgen kan hebben voor de verblijfsvergunning van G.
De Centrale Raad oordeelde dat verzoeker en G een gezamenlijke huishouding voerden en dat verzoeker daarom als gehuwd moet worden aangemerkt volgens artikel 3 PW Pro. Verzoeker was geen zelfstandig subject van bijstand en ontving ten onrechte bijstand naar de alleenstaandennorm. Artikel 18 PW Pro biedt geen mogelijkheid om hiervan af te wijken omdat G niet bijstand wil aanvragen. De bijzondere omstandigheden, waaronder het mogelijke effect op de verblijfsvergunning van G, leiden niet tot een andere uitkomst. De staatssecretaris beoordeelt dit afzonderlijk.
Daarom heeft verzoeker geen recht op bijstand naar de alleenstaandennorm en moet hij bijstand aanvragen als gehuwde. Het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen omdat de aangevallen uitspraak naar verwachting in stand blijft. Proceskosten zijn niet toegewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van bijstand wegens gezamenlijke huishouding wordt afgewezen.