ECLI:NL:CRVB:2016:2226
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging gezamenlijke huishouding en bijstand naar gehuwdennorm onder WWB
Appellanten ontvingen bijstand naar de norm voor alleenstaanden, maar het college stelde bijstand toe naar de gehuwdennorm vanaf 1 december 2012 vanwege het voeren van een gezamenlijke huishouding. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellanten gingen in hoger beroep.
De Raad stelde vast dat appellanten hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden en dat uit hun relatie een kind is geboren, wat het onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding bevestigt. De subjectieve beleving en motieven van appellanten blijven buiten beschouwing.
Appellanten voerden aan dat hun leefwijze niet overeenkomt met een gezamenlijke huishouding, maar konden geen bijzondere omstandigheden aantonen om het rechtsvermoeden te weerleggen. Daarom is het college terecht uitgegaan van een gezamenlijke huishouding en bijstand toegekend naar de gehuwdennorm.
Het hoger beroep faalt en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de bijstand wordt toegekend naar de gehuwdennorm.