Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:222

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 januari 2016
Publicatiedatum
20 januari 2016
Zaaknummer
14/6936 WMO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag huishoudelijke hulp wegens voldoende zelfredzaamheid ondanks beperkingen

Appellant, geboren in 1955, heeft diverse lichamelijke en psychische aandoeningen en vroeg om hulp bij het huishouden op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning. Een medisch rapport van arts Buddingh concludeerde dat appellant matig ernstige beperkingen heeft, maar wel zelfstandig het huishoudelijk werk kan verrichten verdeeld over de week. Het college wees de aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond.

Appellant voerde in beroep en hoger beroep aan dat de adviezen onvoldoende zorgvuldig waren en dat hij bepaalde taken slechts met moeite kon uitvoeren. Hij verzocht om benoeming van een deskundige. De Raad oordeelde dat het onderzoek van Buddingh zorgvuldig was, mede omdat hij appellant heeft onderzocht en meerdere medische verklaringen heeft betrokken. De Raad vond geen reden om aan de conclusie te twijfelen dat appellant in staat is het huishoudelijk werk zelfstandig uit te voeren.

De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde het besluit van het college, zonder aanleiding voor proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 20 januari 2016.

Uitkomst: De aanvraag voor hulp bij het huishouden wordt afgewezen omdat appellant ondanks beperkingen zelfstandig het huishoudelijk werk kan verrichten.

Uitspraak

14/6936 WMO
Datum uitspraak: 20 januari 2016
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 7 november 2014, 14/1741 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. S.V.A.Y. Dassen-Vranken, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2015. Namens appellant is
mr. Dassen-Vranken verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. A.F. Dekker.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant, geboren in 1955, is bekend met verschillende lichamelijke aandoeningen, waaronder artrose in de pols, darmklachten, hartklachten, incontinentie, nierklachten en clusterhoofdpijn. Daarnaast is er bij hem sprake van depressiviteit. Hij woont alleen in een eengezinswoning.
1.2.
Naar aanleiding van de aanvraag voor hulp bij het huishouden in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning heeft H. Buddingh, arts bij de GGD Zuid Limburg, op
13 november 2013 een medisch rapport uitgebracht. Op basis van spreekuuronderzoek en informatie van de huisarts, de radioloog, de bedrijfsarts en een psycholoog heeft Buddingh geconcludeerd dat bij appellant sprake is van matig ernstige beperkingen die het doen van huishoudelijk werk bemoeilijken. Met de geobjectiveerde beperkingen acht Buddingh appellant niettemin in staat om, verdeeld over de week, zelfstandig alle huishoudelijke taken uit te voeren. Het college heeft de aanvraag op 19 november 2013 afgewezen onder verwijzing naar het rapport van Buddingh.
1.3.
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 19 november 2013 en daarbij verklaringen van neuroloog A. van Diepen en MDL-arts L.E. Oostenbrug overgelegd. Buddingh heeft deze verklaringen beoordeeld maar deze brachten hem niet tot een andere conclusie. Bij besluit van 30 april 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 19 november 2013 ongegrond verklaard.
1.4.
In beroep heeft appellant diverse medische stukken overgelegd, waaronder een verklaring van verzekeringsarts T.J.M. Kuiper, gedateerd 24 juli 2014. Daarin is als conclusie vermeld dat als objectiveerbaar gevolg van ziekte en/of gebrek bij appellant geen sprake is van duurzaam benutbare mogelijkheden en dat hij ADL-beperkt is. Buddingh heeft ook deze medische stukken beoordeeld en blijft bij zijn conclusie dat appellant in staat is om, verdeeld over de week, zelfstandig de huishoudelijke taken uit te voeren. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij overwogen dat er geen reden is te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van het college dat is gebaseerd op de adviezen van Buddingh.
2. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat hij een aantal huishoudelijke taken slechts met moeite kan uitvoeren, dat de adviezen van Buddingh niet zorgvuldig tot stand zijn gekomen en dat het college zich niet had mogen baseren op rapporten van steeds dezelfde GGD-arts. Hij verzoekt de Raad een deskundige te benoemen.
3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
3.1.
Naar vaste rechtspraak loopt de beoordelingsperiode in zaken als de onderhavige in beginsel van de datum van de aanvraag tot de beslissing op bezwaar, in deze zaak dus van
12 augustus 2013 tot 30 april 2014 (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van
13 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW8322). In zoverre is de verklaring van Kuiper niet zonder meer van belang ter beoordeling van de omvang van de beperkingen van appellant. Niettemin heeft Buddingh ook deze verklaring in zijn beoordeling betrokken.
3.2.
De Raad acht het verzoek door Buddingh voldoende zorgvuldig. Buddingh heeft appellant op het spreekuur gezien en hij heeft de verklaringen van diverse (para)medici in zijn beoordeling betrokken. De conclusie van zijn adviezen is niet in strijd met de bevindingen uit zijn spreekuuronderzoek en evenmin met de verklaringen van de diverse (para)medici. Buddingh bevestigt immers dat appellant medische beperkingen en psychische problemen heeft maar acht hem niettemin in staat het huishoudelijk werk, verdeeld over de week, uit te voeren. De omstandigheid dat Buddingh het college in deze zaak meermaals heeft geadviseerd, betekent niet dat aan de door hem getrokken conclusie moet worden getwijfeld. Het college heeft met de verwijzing naar de rapporten van Buddingh voldoende gemotiveerd dat er geen noodzaak bestaat appellant te compenseren door middel van het toekennen van huishoudelijke hulp.
3.3.
De Raad ziet onder deze omstandigheden geen aanleiding een deskundige te benoemen voor nader onderzoek.
3.4.
Uit 3.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
4. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en J.P.A. Boersma en L.M. Tobé als leden, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2016.
(getekend) H.J. de Mooij
(getekend) M.S.E.S. Umans

AP