ECLI:NL:CRVB:2016:2213

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 juni 2016
Publicatiedatum
15 juni 2016
Zaaknummer
15-638 AWBZ
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Besluit zorgaanspraken AWBZAlgemene Wet Bijzondere ZiektekostenZorgverzekeringswet
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering zorgindicatie AWBZ wegens voorliggende zorg vanuit Zvw

Appellante, met psychische en lichamelijke beperkingen, vroeg op 8 augustus 2013 om een indicatie voor AWBZ-zorg. Het CIZ wees deze aanvraag op 20 september 2013 af en verklaarde het bezwaar ongegrond op 27 februari 2014, omdat de behandeling vanuit de Zorgverzekeringswet (Zvw) voorliggend is.

De rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde het beroep van appellante ongegrond. Appellante voerde aan dat haar lichamelijke beperkingen losstaan van haar psychische problematiek en dat zij daarom recht heeft op persoonlijke verzorging via AWBZ.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het CIZ zich terecht baseerde op medische adviezen waarin werd vastgesteld dat de zorg vanuit de Zvw passend en voorliggend is. Het medisch advies was zorgvuldig tot stand gekomen en appellante leverde geen objectieve medische gegevens aan die dit betwijfelen. De verklaring van een maatschappelijk werker was onvoldoende om het advies te weerleggen.

Daarom wordt het hoger beroep afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de AWBZ-zorgindicatie omdat de zorg vanuit de Zvw voorliggend is.

Uitspraak

15/638 AWBZ
Datum uitspraak: 15 juni 2016
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 15 december 2014, 14/2333 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

CIZ

PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. C.F.A. Cadot, advocaat, hoger beroep ingesteld.
CIZ heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 mei 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Cadot. CIZ heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante, geboren op [datum] 1960, is bekend met beperkingen op het gebied van het psychisch functioneren en het zich bewegen en verplaatsen als gevolg van een angst- en pijnstoornis. Op 8 augustus 2013 heeft appellante op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) bij CIZ een aanvraag om een indicatie voor zorg ingediend.
1.2.
Bij besluit van 20 september 2013 heeft CIZ de aanvraag afgewezen.
1.3.
Bij besluit van 27 februari 2014 (bestreden besluit) heeft CIZ het bezwaar van appellante tegen het besluit van 20 september 2013 ongegrond verklaard. Hieraan heeft CIZ, onder verwijzing naar een advies van I. Dammar, medisch adviseur CIZ, van 19 februari 2014, ten grondslag gelegd dat psychiatrische behandeling op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) voorliggend is op de inzet van AWBZ-zorg, zodat op grond van artikel 2 van Pro het Besluit zorgaanspraken AWBZ (Bza) geen aanspraak bestaat op AWBZ-zorg.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de door appellante in beroep overgelegde verklaring van L. Snoeyers, maatschappelijk werker, van 25 september 2014 en het door CIZ overgelegde advies van L. Cornelissen-Houben, medisch adviseur CIZ, van 18 november 2014 mede in haar beoordeling betrokken.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft aangevoerd dat zij vanwege haar lichamelijke klachten beperkt is in de persoonlijke verzorging en de dagelijkse activiteiten, zodat zij in aanmerking komt voor een indicatie voor persoonlijke verzorging. Psychiatrische behandeling kan niet bijdragen aan verbetering in het lichamelijk functioneren, omdat haar beperkingen los staan van haar psychische problematiek.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De door de bestuursrechter te beoordelen periode in geval van een aanvraag om
AWBZ-zorg bestrijkt in beginsel de periode vanaf de datum van de aanvraag tot de datum van de beslissing op bezwaar. Dit betekent dat de te beoordelen periode in dit geval loopt van
8 augustus 2013 tot 27 februari 2014.
4.2.
Ingevolge artikel 2, eerste lid van het Bza, voor zover van belang, heeft de verzekerde, behoudens voor zover het zorg betreft die kan worden bekostigd op grond van een andere wettelijke regeling of een zorgverzekering als bedoeld in Zvw, aanspraak op persoonlijke verzorging als omschreven in artikel 4.
4.3.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat CIZ zich op grond van door CIZ ingebrachte medische adviezen terecht op het standpunt heeft gesteld dat in de ter beoordeling staande periode, de behandeling die appellante voor haar klachten vanuit de Zvw kan krijgen voorliggend is op de aanspraak op AWBZ-zorg.
In het medisch advies van 19 februari 2014 heeft Dammar vastgesteld dat appellante voor haar klachten onder behandeling staat van revalidatiearts R.J. Brandwijk. Volgens Brandwijk dient appellante op het gebied van het psychisch functioneren begeleid te worden. Dit valt onder de verantwoordelijkheid van de psychiatrisch verpleegkundige. Deze zal appellante moeten activeren en begeleiding moeten aanbieden in de thuissituatie voor het aanbrengen van structuur. Ook kan vanuit de GGZ additionele begeleiding worden ingezet door een
Pit-verpleegkundige in te schakelen. Fysiotherapeutische begeleiding is volgens Brandwijk momenteel niet noodzakelijk. Volgens Dammar zal de inzet van AWBZ-zorg ook een
anti-revaliderend effect sorteren, omdat dat tot een verdere acceptatie van inactiviteit en passiviteit zal leiden en in dat geval niet meer gesproken kan worden van een adequaat herstelproces. Voor het oordeel dat het medisch advies op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, bestaat geen aanleiding. Appellante heeft geen objectief medische gegevens overgelegd die aanleiding geven om te twijfelen aan de juistheid van het medische advies van Dammar. De door appellante in beroep overgelegde verklaring van een maatschappelijk werker is daarvoor onvoldoende.
4.4.
Uit 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en D.S. de Vries en
J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2016.
(getekend) R.M. van Male
(getekend) D. van Wijk

NW