AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bezwaarschrift niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding zonder verschoonbare reden
Appellante maakte bezwaar tegen besluiten van het Zorgkantoor waarin het persoonsgebonden budget voor 2012 en 2013 op nihil werd vastgesteld en een bedrag van €15.918,82 werd teruggevorderd. Het bezwaar werd echter niet tijdig ingediend binnen de wettelijke termijn van zes weken, zoals voorgeschreven in artikel 6:7 vanPro de Awb.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit van het Zorgkantoor ongegrond, omdat de bezwaartermijn was verstreken en er geen verschoonbare termijnoverschrijding was. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar psychische gesteldheid haar verhinderde tijdig bezwaar te maken, maar de Raad oordeelde dat dit onvoldoende was om het verzuim te rechtvaardigen.
Belangrijk was dat appellante een wijziging van haar correspondentieadres had doorgegeven waarbij een wettelijk vertegenwoordiger was aangewezen. De besluiten werden aan dit adres verzonden, maar de vertegenwoordiger had nagelaten de post door te sturen of tijdig bezwaar in te dienen. Dit risico kwam voor rekening van appellante.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het bestreden besluit en verklaarde het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het bezwaar van appellante wordt kennelijk niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdig indienen zonder verschoonbare termijnoverschrijding.
Uitspraak
15/4701 AWBZ
Datum uitspraak: 15 juni 2016
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 26 mei 2015, 14/935 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
CZ Zorgkantoor B.V. (Zorgkantoor)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. D.M. Penn, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 mei 2016. Appellante is niet verschenen. Het Zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.A.M. Clijsen.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Bij besluiten van 12 en 19 april 2013 heeft het Zorgkantoor het voor de jaren 2012 en 2013 aan appellante verleende persoonsgebonden budget vastgesteld op nihil en een bedrag van in totaal € 15.918,82 van appellante teruggevorderd.
1.2.
Bij brief van 10 juni 2013, door het Zorgkantoor ontvangen op 12 juni 2013, heeft appellante bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 12 en 19 april 2013.
1.3.
Bij besluit van 12 februari 2014 (bestreden besluit) heeft het Zorgkantoor het bezwaar van appellante tegen de besluiten van 12 en 19 april 2013 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Appellante heeft niet binnen de termijn van artikel 6:7 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bezwaar gemaakt en er is geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 vanPro de Awb.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Zorgkantoor de besluiten van 12 en 19 april 2013 in overeenstemming met artikel 3:41, eerste lid, van de Awb aan appellante bekend heeft gemaakt en dat de bezwaartermijn van zes weken op 10 juni 2013 was verstreken. Er zijn volgens de rechtbank geen omstandigheden aanwezig op grond waarvan moet worden geoordeeld dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is te achten.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft aangevoerd dat zij in verband met haar psychische gesteldheid buiten staat was om tijdig een bezwaarschrift in te dienen en/of zorg te dragen voor een adequate voorziening daarvoor.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor het wettelijk kader verwijst naar de aangevallen uitspraak.
4.1.
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift buiten de hiervoor geldende termijn is ingediend.
4.2.
In wat appellante heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat zij in verzuim is geweest als bedoeld in artikel 6:11 vanPro de Awb. Daarbij is van belang dat appellante op 22 februari 2013 aan het Zorgkantoor een wijziging van haar correspondentieadres heeft doorgegeven. Appellante heeft hierbij vermeld dat [naam] , woonachtig op dit nieuwe correspondentieadres, haar wettelijk vertegenwoordiger/zaakwaarnemer is. De besluiten van 12 en 19 april 2013 zijn vervolgens door het Zorgkantoor aan het adres van [naam] verzonden. De omstandigheid dat [naam] heeft nagelaten om de post aan appellante door te sturen dan wel tijdig een - desnoods summier - bezwaarschrift in te dienen, komt voor rekening en risico van appellante.
4.3.
Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male, als voorzitter en D.S. de Vries en J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2016.