ECLI:NL:CRVB:2016:2191
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor lichte functies
Appellant, voormalig constructiebankwerker, meldde zich ziek wegens armklachten en later chronische nekklachten en hoofdpijn. Het UWV kende hem aanvankelijk een Ziektewetuitkering toe, maar beëindigde deze per 3 februari 2014 omdat appellant geschikt werd geacht voor lichte functies. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze beëindiging ongegrond.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de beperkingen ernstiger waren dan vastgesteld en dat de functies niet geschikt waren. Het UWV stelde dat ondanks extra beperkingen de functies parkeerwachter en portier/toezichthouder geschikt bleven. De Raad overwoog dat het recht op ziekengeld geldt bij ongeschiktheid voor de laatst verrichte arbeid, maar na de maximale duur wordt gangbare arbeid als maatstaf genomen.
De Raad oordeelde dat het UWV voldoende had gemotiveerd dat appellant ondanks beperkingen geschikt was voor ten minste één van de geselecteerde functies, met name parkeerwachter. De Raad verwierp het beroep van appellant en bevestigde de beëindiging van de Ziektewetuitkering.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering van appellant is terecht beëindigd omdat hij geschikt is voor lichte functies.