Werkneemster meldde zich ziek op 21 april 2010 en vroeg op 18 oktober 2011 een WIA-uitkering aan. Appellant legde een loonsanctie op aan betrokkene wegens tekortschietende re-integratieverplichtingen, met name het te laat starten van het tweede spoortraject. Betrokkene verzocht tweemaal om bekorting van de loonsanctie, wat werd afgewezen. De rechtbank oordeelde dat betrokkene onvoldoende inspanningen had verricht en gaf appellant de gelegenheid het gebrek te herstellen.
In hoger beroep stelde appellant dat het tweede spoortraject minimaal zes maanden moest zijn afgerond voor bekorting, terwijl betrokkene zich verweerde met verwijzing naar GGZ-behandeling en langdurige re-integratie. De Raad volgt appellant en oordeelt dat het tweede bekortingsverzoek terecht is afgewezen omdat het traject nog niet was afgerond.
Het incidenteel hoger beroep van betrokkene richtte zich op de loonsanctie en vermeende schending van het verbod van reformatio in peius. De Raad oordeelt dat de loonsanctie terecht is opgelegd en dat correctie van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag geen schending inhoudt. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, behalve voor het deel waarin het beroep tegen het tweede bekortingsverzoek gegrond werd verklaard.