ECLI:NL:CRVB:2016:2081
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Aanvraag bijstand ten onrechte buiten behandeling gesteld, zaak zelf afgedaan
Appellante had meerdere keren een aanvraag om bijstand ingediend, maar het bestuur stelde deze steeds buiten behandeling vanwege het ontbreken van verifieerbare bewijsstukken over haar levensonderhoud vanaf 1 januari 2012. Appellante overhandigde uiteindelijk een handgeschreven verklaring en bankafschriften, maar het bestuur vond deze onvoldoende om de aanvraag te beoordelen en stelde de aanvraag buiten behandeling op grond van artikel 4:5 Awb Pro.
De voorzieningenrechter verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het bestuur onterecht de aanvraag buiten behandeling stelde omdat er sprake was van een inhoudelijke beoordeling en niet van een onvolledige aanvraag. De Raad vernietigde de uitspraak van de voorzieningenrechter en het besluit van het bestuur.
De Raad beoordeelde vervolgens zelf de aanvraag en concludeerde dat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt hoe zij in haar levensonderhoud had voorzien, mede door onduidelijkheid over kasstortingen en opname van spaargelden. Hierdoor kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld en wees de Raad de aanvraag af.
Daarnaast veroordeelde de Raad het bestuur in de proceskosten van appellante en bepaalde dat het griffierecht aan appellante wordt vergoed. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 31 mei 2016.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van het levensonderhoud.