Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:1986

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 mei 2016
Publicatiedatum
1 juni 2016
Zaaknummer
15-5129 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:119 AwbWet cliëntenrechten zorgWet van 11 december 2013 tot wijziging van de Wet cliëntenrechten zorgZorgverzekeringswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verzoek herziening buitenlandbijdrage Zorgverzekeringswet

Appellante had bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van de buitenlandbijdrage 2008 door het Zorginstituut, dat dit bezwaar ongegrond verklaarde. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit eveneens ongegrond en wees een verzoek tot herziening af omdat appellante geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangedragen.

In hoger beroep betoogde appellante dat zij de opgelegde schuld niet kon betalen vanwege haar financiële situatie. De Raad overwoog dat dit geen nieuwe gronden waren en dat de rechtbank deze argumenten al afdoende had gemotiveerd. De Raad onderschreef de overwegingen van de rechtbank en bevestigde de afwijzing van het verzoek tot herziening.

Daarnaast werd vermeld dat partijen afspraken om te overleggen over deelname aan een pilot voor schuldafbetaling. De Raad wees een proceskostenveroordeling af en sprak de beslissing uit in het openbaar op 18 mei 2016.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van het verzoek tot herziening wordt bevestigd.

Uitspraak

15/5129 ZVW
Datum uitspraak: 18 mei 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
26 juni 2015, 14/3336 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (Bondsrepubliek Duitsland) (appellante)
Zorginstituut Nederland (Zorginstituut) als rechtsopvolger van het College voor zorgverzekeringen (Cvz)
PROCESVERLOOP
Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Wet cliëntenrechten zorg en andere wetten in verband met de taken en bevoegdheden op het gebied van de kwaliteit van de zorg (Stb. 2013, 578) oefent het Zorginstituut de bevoegdheden uit die voorheen door Cvz werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder het Zorginstituut mede verstaan Cvz.
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het Zorginstituut heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2016. Appellante is verschenen. Het Zorginstituut heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.D. Dijkstra.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Bij besluit van 30 september 2011 heeft het Zorginstituut het bezwaar van appellante tegen het besluit van 9 april 2011, waarbij de buitenlandbijdrage voor het jaar 2008 op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) voorlopig is vastgesteld op € 1.306,91, ongegrond verklaard.
1.2.
Bij de uitspraak van 25 mei 2012 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van
30 september 2011 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het verzoek om herziening van de uitspraak van 25 mei 2012 met toepassing van artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), afgewezen. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat appellante geen feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119 van Pro de Awb heeft aangevoerd. De rechtbank heeft er onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad (ECLI:NL:CRVB:2013:1945 en ECLI:NL:CRVB:2014:319) op gewezen dat het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet bedoeld is om – anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid – een hernieuwde discussie te voeren over de betrokken zaak en evenmin om een discussie over de uitspraak te openen. Het betoog van appellante is in wezen gericht op heropening van de discussie over in de uitspraak van 25 mei 2012 reeds besliste (rechts)vragen.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en aangevoerd dat aan haar door het Zorginstituut een schuld is opgelegd die zij, gelet op haar financiële situatie, niet kan betalen.
4. De Raad overweegt het volgende.
4.1.
Appellante heeft in hoger beroep geen wezenlijk nieuwe of andere gronden naar voren gebracht of redenen vermeld waarom de rechtbank tot een ander oordeel had moeten komen. Appellante heeft zich in wezen beperkt tot het herhalen van de in beroep aangevoerde gronden die er op neerkomen dat zij niet in staat is de voorlopige buitenlandbijlage over 2008 te betalen.
4.2.
De rechtbank heeft deze beroepsgronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom deze niet leiden tot herziening van de uitspraak van de rechtbank van 25 mei 2012.
4.3.
De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig en volstaat met een verwijzing daarnaar. De rechtbank heeft het verzoek om herziening op goede gronden afgewezen.
4.4.
Ten overvloede wordt er op gewezen dat partijen op de zitting van de Raad hebben afgesproken dat appellante in verband met de afbetaling van haar schulden aan het Zorginstituut met elkaar in gesprek gaan over de mogelijkheid om deel te nemen aan een pilot van het Zorginstituut.
4.5.
Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2016.
(getekend) R.M. van Male
(getekend) J.W.L. van der Loo

MO