Appellante meldde zich in maart 2010 ziek wegens psychische klachten en kreeg aanvankelijk geen WIA-uitkering toegekend, maar wel een WW-uitkering. Na een rapport van psychiater Van der Veer besloot het UWV in maart 2014 de Ziektewet-uitkering stop te zetten, omdat appellante geschikt zou zijn voor functies als productiemedewerker. Dit besluit werd bij bezwaar en beroep gehandhaafd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd aangenomen dat het UWV zorgvuldig had gehandeld en de beperkingen voldoende in acht waren genomen. In hoger beroep stelde appellante dat het rapport van psychiater Van Marle, opgesteld in een letselschadeprocedure, meer beperkingen aantoonde dan het UWV had erkend.
De Raad hechtte doorslaggevende waarde aan de rapporten van Van Marle, die een posttraumatische stressstoornis en dysthyme stoornis constateerde met ernstige beperkingen op diverse psychische functies. Ook neuropsychologische en neurologische rapporten ondersteunden deze bevindingen, met name ten aanzien van concentratieproblemen en ongeschiktheid voor seriematig productiewerk.
De Raad oordeelde dat appellante niet geschikt is voor de door het UWV genoemde functies en vernietigde het bestreden besluit. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van wettelijke rente en proceskosten, waaronder kosten voor deskundigen, met een totaalbedrag van €5.932,70.