ECLI:NL:CRVB:2016:1872
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsongeschiktheid en recht op ziekengeld bij medewerker passantenverblijf
Appellant was werkzaam als medewerker passantenverblijf en meldde zich ziek met lichamelijke en psychische klachten. Het UWV stelde vast dat appellant per 11 juli 2013 geschikt was voor zijn laatst verrichte arbeid en beëindigde het recht op ziekengeld. Appellant stelde in hoger beroep dat zijn beperkingen werden onderschat en dat hij zijn arbeid niet kon verrichten.
De Raad beoordeelde het medisch onderzoek als zorgvuldig, waarbij diverse artsen en een arbeidsdeskundige betrokken waren. De klachten van appellant, waaronder een milde polyneuropathie en de diagnose HMSN type II, werden meegewogen, maar vormden geen belemmering voor het verrichten van zijn arbeid op de datum in geding. De Raad zag geen aanleiding voor het raadplegen van een onafhankelijke deskundige en kende geen waarde toe aan medische informatie die appellant later aanleverde.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Het verzoek tot vergoeding van wettelijke rente werd afgewezen. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek tot vergoeding van wettelijke rente wordt afgewezen.