ECLI:NL:CRVB:2016:1865
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens handel in softdrugs en schending inlichtingenplicht
Appellante en haar partner stonden ingeschreven op een adres waar zij bijstand ontvingen. Naar aanleiding van een politieonderzoek naar handel in softdrugs, waarbij hennep werd aangetroffen en getuigen verklaarden over drugshandel, startte het college een onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand. Dit leidde tot een besluit tot intrekking van de bijstand en inkomensvoorziening over de periode van april 2010 tot maart 2011.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarna zij in hoger beroep ging. Appellante betwistte de conclusies over drugshandel en inkomsten, stelde dat de aangetroffen drugs voor eigen gebruik waren en voerde aan dat de bestuursrechter gebonden zou zijn aan het strafrechtelijke oordeel. Tevens voerde zij aan dat zij niet werkzaam was in het bedrijf van haar moeder en dat de financiële berekeningen onjuist waren.
De Raad oordeelde dat de verklaringen van meerdere onafhankelijke getuigen en het financieel onderzoek voldoende grondslag boden voor het besluit tot intrekking. De Raad wees erop dat de bewijsmaatstaf in bestuursrecht anders is dan in strafrecht, waardoor de vrijspraak in strafzaak niet bindend is. Appellante had haar inkomsten niet gemeld en daarmee de inlichtingenplicht geschonden, wat een rechtsgrond voor intrekking vormt. Het beroep werd ongegrond verklaard en de intrekking bevestigd.
Verder oordeelde de Raad dat het vertrouwensbeginsel niet was geschonden en dat de overschrijding van de beslistermijn in bezwaar geen recht gaf op vertrouwen dat intrekking zou worden achterwege gelaten. Er waren geen dringende redenen om van intrekking af te zien. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en de proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de bijstand wegens handel in softdrugs en schending van de inlichtingenplicht.