ECLI:NL:CRVB:2016:1861
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens verzwegen schadevergoeding en onduidelijk hoofdverblijf
Appellante ontving sinds 1985 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). In 2010 ontving zij een schadevergoeding van €20.000,- die zij niet aan het college meldde. Daarnaast verbleef zij vanwege ziekte deels op een ander adres dan opgegeven. Het college trok daarom de bijstand in per 3 april 2012 wegens schending van de inlichtingenplicht.
De rechtbank oordeelde aanvankelijk dat het college onvoldoende had gemotiveerd dat het recht op bijstand niet vast te stellen was, maar stelde later vast dat appellante niet aannemelijk had gemaakt wat zij met het bedrag had gedaan en dat zij niet op het opgegeven adres verbleef. Het college handhaafde het besluit tot intrekking.
In hoger beroep stelde appellante dat het bedrag aan haar kind was verstrekt, die er een horloge en ketting van had gekocht. De Raad oordeelde dat dit niet kon worden bewezen met de overgelegde stukken en dat het college terecht het recht op bijstand niet kon vaststellen. Het hoger beroep werd verworpen en de intrekking van de bijstand bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd wegens schending van de inlichtingenplicht en onduidelijkheid over het gebruik van de schadevergoeding.