ECLI:NL:CRVB:2016:1761
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening studiefinanciering wegens niet-wonen op geregistreerd adres
Appellant maakte bezwaar tegen de herziening van zijn studiefinanciering, waarbij hij vanaf januari 2012 als thuiswonende studerende werd aangemerkt en het te veel betaalde bedrag werd teruggevorderd. De minister baseerde dit op het feit dat appellant niet op het in de gemeentelijke basisadministratie geregistreerde adres woonde.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij wel degelijk op het adres woonde en dat de minister onvoldoende onderzoek had gedaan. Hij verwees naar een verklaring van de hoofdbewoner en omstandigheden die het huisbezoek belemmerden. De Raad oordeelde echter dat appellant geen wezenlijk nieuwe feiten had ingebracht en onderschreef het oordeel van de rechtbank dat het controleverslag voldoende feitelijke grondslag bood.
De verklaringen van appellant zelf toonden aan dat hij op meerdere adressen verbleef en sinds april/mei 2013 voornamelijk bij zijn vriendin in België woonde zonder zich daar te laten overschrijven. De meeste van zijn spullen lagen elders. Omdat geen toestemming werd gegeven voor een huisbezoek, vond de Raad dat nader onderzoek weinig zou toevoegen.
De Raad stelde vast dat appellant niet overtuigend had bewezen op het adres te hebben gewoond en dat de minister daarom terecht de studiefinanciering had herzien. De hardheidsclausule werd niet toegepast. De aangevallen uitspraak werd bevestigd, en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De herziening van de studiefinanciering naar de thuiswonende norm wordt bevestigd wegens onvoldoende bewijs van woonplaats op het geregistreerde adres.