ECLI:NL:CRVB:2016:1711
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek terugkomen van beëindiging ZW-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant, voormalig ICT-helpdeskmedewerker, viel in februari 2007 uit wegens maag- en psychische klachten. Zijn dienstverband eindigde in april 2007. Het UWV beëindigde de ZW-uitkering in april 2008 en later opnieuw in mei 2009 en november 2009, telkens zonder bezwaar van appellant. In april 2014 verzocht appellant het UWV terug te komen van het besluit van mei 2009, onderbouwd met een medisch rapport van januari 2014 waarin gesteld werd dat hij doorlopend arbeidsongeschikt was sinds die datum.
Het UWV wees het verzoek af omdat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd die het eerdere besluit onjuist maakten. De rechtbank bevestigde dit oordeel en stelde dat het medisch rapport geen nieuwe feiten bevatte die relevant waren voor de datum van het oorspronkelijke besluit.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn medische situatie sinds mei 2009 onveranderd was en dat het rapport van de verzekeringsarts als nieuw feit moest worden beschouwd. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat het verzoek om terug te komen van een besluit alleen kan slagen bij nieuwe feiten of veranderde omstandigheden na het eerdere besluit. Het rapport van januari 2014 bevatte geen nieuwe feiten die relevant waren voor het besluit van mei 2009.
Daarom bevestigde de Raad de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het verzoek om terug te komen van het besluit tot beëindiging van de ZW-uitkering wordt niet gehonoreerd.