ECLI:NL:CRVB:2016:1687
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugvordering onverschuldigde Ziektewet-uitkering en vaststelling aflossingscapaciteit
De zaak betreft een hoger beroep tegen een beslissing van het UWV inzake terugvordering van onverschuldigd betaalde Ziektewet-uitkering. Het geschil draait om de vraag of het inkomen van de ex-echtgenote van appellant bij de berekening van zijn aflossingscapaciteit mag worden betrokken.
De rechtbank had geoordeeld dat appellant en zijn ex-echtgenote ten tijde van belang een gezamenlijke huishouding voerden en dat het inkomen van de ex-echtgenote daarom mee mocht tellen. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij en zijn ex-echtgenote gescheiden inkomens hadden en dat de echtscheidingsprocedure al was gestart, waardoor het inkomen niet mee mocht tellen.
De Raad oordeelt dat voor de vaststelling van de aflossingscapaciteit niet de gezamenlijke huishouding, maar de vraag of appellant duurzaam gescheiden leefde bepalend is. Omdat appellant nog samenwoonde met zijn ex-echtgenote en financieel afhankelijk was van haar uitkering, was er geen sprake van duurzaam gescheiden leven. Het beroep op artikel 1:99 BW Pro faalt omdat de beslagvrije voet volgens artikel 475d Rv uitputtend is geregeld. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd dat het inkomen van de ex-echtgenote bij de aflossingscapaciteit mag worden betrokken.