ECLI:NL:CRVB:2016:1521
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Ontslag op andere gronden wegens verstoorde arbeidsverhouding vernietigd
Appellante was sinds 1 augustus 2010 werkzaam bij de gemeente Eindhoven en werd vanaf mei 2012 arbeidsongeschikt verklaard. Ondanks pogingen tot re-integratie en aangepaste werkzaamheden ontstond een gespannen arbeidsverhouding met haar leidinggevende. Het college verleende haar ontslag op grond van artikel 8:8 van Pro de CAR/EAR wegens een verstoorde arbeidsrelatie.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat een impasse was ontstaan die voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs onmogelijk maakte. Appellante stelde zich hiertegen op het standpunt dat het college tekort was geschoten in de re-integratie en dat geen sprake was van een onherstelbare impasse.
De Raad oordeelde dat appellante weliswaar een gespannen verhouding had met haar leidinggevende, maar dat het college onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat voortzetting van het dienstverband niet redelijkerwijs van haar kon worden verlangd. Het re-integratieproces was nog gaande en het college had onvoldoende rekening gehouden met haar psychische klachten en eigenwijsheid. Daarom was het ontslagbesluit onrechtmatig en werd het vernietigd.
De Raad herroept het ontslagbesluit van 30 september 2013 en bepaalt dat de dienstbetrekking niet is beëindigd. Partijen dienen in overleg te treden over de invulling van het herstel van de dienstbetrekking, rekening houdend met de reorganisatie. Tevens wordt het college veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en een deel van de proceskosten.
Uitkomst: Het ontslagbesluit wordt vernietigd en het ontslag herroepen; de dienstbetrekking blijft bestaan.