ECLI:NL:CRVB:2015:1788
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.J. van de Griend
- M.C.D. Embregts
- R.C. Schoemaker
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging bezoldiging wegens geen buitensporige werkomstandigheden
Appellante was sinds augustus 2010 werkzaam bij de gemeente Eindhoven en meldde zich in mei 2012 ziek vanwege psychische klachten. Na zes maanden arbeidsongeschiktheid verlaagde het college haar bezoldiging van 100% naar 90%, wat appellante betwistte met het argument dat haar ziekte het gevolg was van langdurige overbelasting en een vertraagd herstel door de werkgever.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en in hoger beroep voerde zij aan dat de werkomstandigheden een buitensporig karakter hadden. De Raad toetste dit aan de hand van de geldende bepalingen in de CAR/EAR en vaste jurisprudentie, waarbij werd gekeken naar objectieve factoren die de arbeidsongeschiktheid zouden veroorzaken.
Uit de feiten bleek dat appellante werkzaamheden van zieke collega’s had overgenomen en piekbelasting had ervaren, maar dat deze omstandigheden binnen de normale werkomstandigheden van haar functie vielen. Ook haar eigen verantwoordelijkheidsgevoel en het niet altijd kunnen overdragen van taken werden meegewogen, zonder dat dit leidde tot buitensporigheid.
Daarnaast werden omstandigheden rondom haar re-integratie beoordeeld, maar ook deze werden niet als buitensporig aangemerkt. De Raad concludeerde dat niet was voldaan aan de vereiste objectieve maatstaf voor buitensporige werkomstandigheden en bevestigde daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De verlaging van de bezoldiging van 100% naar 90% wegens arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd omdat geen sprake is van buitensporige werkomstandigheden.