ECLI:NL:CRVB:2016:1334
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging fictieve opzegtermijn van vier maanden bij WW-uitkering
Appellant was sinds 1 oktober 1978 werkzaam bij een bedrijf en is na een overgang van onderneming in dienst gekomen bij een andere vennootschap. Met ingang van 1 september 2013 trad appellant opnieuw in dienst bij het oorspronkelijke bedrijf, waarbij in de arbeidsovereenkomst werd bepaald dat het dienstverband geacht wordt te zijn ingegaan op 1 oktober 1978 voor arbeidsvoorwaarden waarbij de duur van het dienstverband bepalend is.
Op 23 december 2013 sloten partijen een beëindigingsovereenkomst met een vergoeding van €109.188,-. Appellant vroeg op 29 december 2013 een WW-uitkering aan, die het UWV aanvankelijk ontzegde tot en met 30 april 2014 omdat een fictieve opzegtermijn van vier maanden werd gehanteerd. Appellant maakte bezwaar en stelde dat de ingangsdatum van de WW-uitkering 1 februari 2014 moest zijn.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat de arbeidsovereenkomst en cao een grondslag boden om de eerdere arbeidsovereenkomst mee te tellen voor de opzegtermijn. Het UWV handhaafde dit standpunt. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de opzegtermijn niet tot de arbeidsvoorwaarden behoort en dat de bepaling in de arbeidsovereenkomst nietig is.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en stelde dat de bepaling in de arbeidsovereenkomst niet in strijd is met de cao en dat de opzegtermijn als arbeidsvoorwaarde moet worden beschouwd. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel werd verworpen omdat het UWV niet gehouden is om een incidentele fout te herhalen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht een fictieve opzegtermijn van vier maanden hanteert bij de vaststelling van de ingangsdatum van de WW-uitkering.