ECLI:NL:CRVB:2016:1325
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verwijtbare werkloosheid wegens ontbreken reëel vooruitzicht op dienstverband van 26 weken
Appellant was sinds 1 januari 2009 in dienst van zijn ex-werkgever en sloot op 22 maart 2013 een beëindigingsovereenkomst waarbij zijn dienstverband per 1 november 2013 zou eindigen. Hij maakte gebruik van een clausule om eerder te vertrekken met een hogere financiële vergoeding en vroeg op 30 april 2013 om beëindiging van het dienstverband per die datum, met de mededeling dat hij per 1 mei 2013 een nieuwe arbeidsovereenkomst had aanvaard.
Het UWV weigerde een WW-uitkering omdat appellant verwijtbaar werkloos was geworden, omdat er geen reëel vooruitzicht was op een dienstverband van ten minste 26 weken bij zijn nieuwe werkgever. Appellant maakte bezwaar en stelde dat hij wel degelijk een arbeidsovereenkomst had gesloten en wist wat zijn werkzaamheden zouden zijn, maar het UWV handhaafde het besluit.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat hij een arbeidsovereenkomst had gesloten met zijn nieuwe werkgever en dat de betaling via een payrollonderneming niet relevant was. De Raad oordeelde dat appellant op het moment van opzegging nog geen arbeidsovereenkomst had getekend en dat er geen duidelijke toezeggingen waren gedaan die een reëel vooruitzicht op werk van minimaal 26 weken boden.
De Raad concludeerde dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden en bevestigde de eerdere uitspraak. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden en wijst het hoger beroep af.