ECLI:NL:CRVB:2016:1221
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op IOAW-uitkering wegens WW-uitkering korter dan drie maanden op grond van vertrouwensbeginsel
Appellant vroeg een WW-uitkering aan die hem werd toegekend van 3 juni 2013 tot en met 12 september 2013. Vervolgens vroeg hij een IOAW-uitkering aan met ingang van 13 september 2013. Het college wees deze aanvraag af omdat appellant niet voldeed aan de voorwaarde dat hij recht moet hebben gehad op een WW-uitkering van meer dan drie maanden op grond van hoofdstuk II van de WW.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat de verlenging van zijn WW-uitkering niet op hoofdstuk II van de WW was gebaseerd, maar op het vertrouwensbeginsel. Appellant voerde aan dat de duur van de WW-uitkering voldoende was en dat de grond van toekenning niet relevant was.
De Raad oordeelde dat de wetstekst duidelijk vereist dat de WW-uitkering op grond van hoofdstuk II van de WW moet zijn toegekend. Omdat de verlenging van de WW-uitkering van appellant was gebaseerd op het vertrouwensbeginsel en niet op hoofdstuk II, voldeed hij niet aan de voorwaarden van artikel 2 van Pro de IOAW. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Appellant heeft geen recht op een IOAW-uitkering omdat zijn WW-uitkering niet op grond van hoofdstuk II van de WW is toegekend.