Betrokkenen, werkzaam bij de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) in substantieel bezwarende functies (SBF), gingen tussen 2010 en 2011 met SBF-verlof. Hun aanvragen voor een tweede aanstelling naast het SBF-verlof werden door de Minister afgewezen omdat zij vóór 1 januari 2012 met SBF-verlof waren gegaan en niet onder de Circulaire "Richtlijnen tweede aanstelling" van 26 juni 2012 vielen.
De rechtbank oordeelde dat dit onderscheid op leeftijd geen objectieve rechtvaardigingsgrond had en vernietigde de besluiten. De Minister stelde hoger beroep in en voerde aan dat de SBF-Regeling een algemeen verbindend voorschrift is met een legitiem doel, en dat de Circulaire een buitenwettelijk gunstig beleid betreft dat consistent werd toegepast.
De Raad overweegt dat de Circulaire niet op artikel 6a ARAR gebaseerd kan worden en kwalificeert deze als buitenwettelijk begunstigend beleid. De Raad stelt vast dat de Minister het beleid consistent heeft toegepast en dat de rechtbank ten onrechte het onderscheid naar leeftijd als onrechtmatig heeft beoordeeld.
De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank, verklaart de beroepen ongegrond en vernietigt de besluiten van 16 maart 2015 die voortvloeiden uit de uitspraak van de rechtbank. Het incidenteel hoger beroep van een betrokkene is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening.
De uitspraak heeft geen gevolgen voor de bezoldiging over de uren die betrokkenen in 2015 op basis van een tweede aanstelling hebben gewerkt.