ECLI:NL:CRVB:2016:1045
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing terugwerkende bijstand aan vreemdeling wegens onvoldoende bewijs van levensonderhoudskosten
Appellante, een Nigeriaanse burger die sinds oktober 2009 in Nederland verblijft, vroeg bijstand aan met terugwerkende kracht over de periode van haar verblijf. Haar aanvraag werd aanvankelijk afgewezen omdat zij onvoldoende aannemelijk maakte dat zij kosten voor levensonderhoud had gemaakt waarvoor nog geen voorziening bestond.
De staatssecretaris verleende haar later een verblijfsvergunning met terugwerkende kracht, wat aanleiding gaf om de bijstandsaanvraag opnieuw te beoordelen. Appellante stelde dat zij geld had geleend om in haar levensonderhoud te voorzien, maar kon dit niet met voldoende bewijs onderbouwen. De rechtbank en het college concludeerden dat er geen sprake was van een reële schuld met terugbetalingsverplichting.
De Raad oordeelde dat appellante onvoldoende gedetailleerde en nauwkeurige opgave had gedaan van haar levensonderhoudssituatie en dat de overgelegde verklaring van een derde niet voldeed als bewijs. Ook werd meegewogen dat zij gedurende de periode algemene en bijzondere bijstand ontving. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de aanvraag om terugwerkende bijstand wordt niet toegewezen.