ECLI:NL:CRVB:2015:832
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- O.L.H.W.I. Korte
- W.F. Claessens
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verzoek vergoeding materiële en immateriële schade bij onrechtmatige bijstandsbesluiten
Appellant heeft bij de Centrale Raad van Beroep hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant inzake de vergoeding van materiële en immateriële schade veroorzaakt door onrechtmatige besluiten tot verlaging van bijstand en weigering van bijzondere bijstand.
Het dagelijks bestuur had de bijstand van appellant in 2008 en 2009 met 100% verlaagd wegens vermeende niet-medewerking aan re-integratie en weigerde in 2011 bijzondere bijstand voor aansluitkosten. Later werden deze besluiten ongedaan gemaakt en de bijstand alsnog uitbetaald. Appellant vorderde vergoeding van materiële schade (heffingsrente en incassokosten) en immateriële schade (geestelijk leed).
De Raad oordeelde dat de vergoeding van materiële schade tot €2.216,03 naast de reeds betaalde wettelijke rente toereikend was, omdat volgens artikel 6:119 BW Pro alleen wettelijke rente vergoed dient te worden bij vertraging. De immateriële schade werd afgewezen omdat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij door de besluiten geestelijk letsel had geleden, mede gelet op medische rapportages en het ontbreken van nadere onderbouwing.
De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het hoger beroep verworpen. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant recht heeft op materiële schadevergoeding tot €2.216,03, maar wijst vergoeding van immateriële schade af wegens onvoldoende bewijs van geestelijk letsel.