ECLI:NL:CRVB:2015:824
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking WW-uitkering wegens schending inlichtingenplicht bij verblijf in het buitenland
Appellant ontving vanaf 1 oktober 2009 een WW-uitkering. Hij meldde een vakantie in Pakistan van 23 oktober tot 20 november 2011. Tijdens deze periode werd vastgesteld dat hij recht had op uitkering. Na zijn vakantie verscheen appellant niet op een afspraak en reageerde niet op contactverzoeken, waarna de uitkering werd opgeschort en later ingetrokken per 19 december 2011 wegens onduidelijkheid over zijn recht op uitkering.
Appellant stelde dat hij ernstig ziek was geworden in Pakistan en pas eind februari 2012 kon terugkeren, waardoor hij niet eerder contact kon opnemen. Het UWV handhaafde het besluit op grond van schending van de inlichtingenplicht. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep oordeelt de Raad dat het UWV de wettelijke grondslag van het besluit niet juist heeft toegepast en dat de intrekking gebaseerd had moeten zijn op het feit dat appellant buiten Nederland verbleef anders dan wegens vakantie, hetgeen volgens dwingendrechtelijke bepalingen het recht op uitkering uitsluit. Hoewel appellant niet tijdig informeerde, wordt het besluit vernietigd wegens onjuiste grondslag, maar de rechtsgevolgen blijven in stand. Vergoeding van schade wordt afgewezen, wel wordt het UWV veroordeeld in proceskosten.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WW-uitkering wordt vernietigd wegens onjuiste wettelijke grondslag, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.