ECLI:NL:CRVB:2015:748
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- A.M. Overbeeke
- G.M.G. Hink
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen besluit arbeidsverplichtingen en besteding re-integratiegelden WWB
Appellant, die sinds 2004 bijstand ontvangt op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), was gedeeltelijk ontheven van arbeidsverplichtingen voor zes maanden vanaf 20 juni 2013. Het college had bezwaar tegen het besluit van ontheffing ongegrond verklaard en het bezwaar tegen de besteding van ESF-subsidies niet-ontvankelijk.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat het college de re-integratiegelden onjuist had besteed, waarbij hij stelde dat hij als belanghebbende betrokken was.
De Raad oordeelde dat appellant geen materieel belang meer had bij de arbeidsverplichtingen omdat de ontheffingsperiode was verstreken en geen maatregelen waren getroffen. Tevens werd geoordeeld dat appellant geen belanghebbende is bij de besteding van re-integratiegelden volgens artikel 1:2 Awb Pro, omdat zijn belang niet rechtstreeks bij het besluit betrokken is.
Daarmee werd het hoger beroep voor zover gericht op de arbeidsverplichtingen niet-ontvankelijk verklaard en de aangevallen uitspraak voor het overige bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk voor arbeidsverplichtingen en het beroep tegen besteding re-integratiegelden wordt afgewezen.