ECLI:NL:CRVB:2015:698
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herzieningsverzoek AOW-pensioen op grond van gezamenlijke huishouding
Appellant vroeg herziening van zijn AOW-pensioen omdat hij meende dat hij als alleenstaande moest worden aangemerkt in plaats van gehuwd. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) had hem aanvankelijk een AOW-pensioen voor gehuwden toegekend op basis van zijn gezamenlijke huishouding met K. Na bezwaar en herzieningsverzoek wees de Svb dit af omdat geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren aangevoerd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellant ging in hoger beroep. Hij stelde dat er geen sprake was van wederzijdse zorg en dat hij als kostganger bij K woonde. De Svb beriep zich op het onweerlegbaar rechtsvermoeden dat bij gezamenlijke huishouding het gehuwdenpensioen geldt.
De Raad oordeelde dat het oorspronkelijke besluit rechtens onaantastbaar was en dat het herzieningsverzoek alleen voor de toekomst een belangenafweging kon rechtvaardigen. De Raad verwierp het rechtsvermoeden omdat het verzoek gericht was op herstel van een onjuiste beslissing uit het verleden. Uit feiten en omstandigheden, waaronder gedeelde huishoudelijke taken en kosten, bleek voldoende wederzijdse zorg. De Duitse fiscale kwalificatie was niet relevant. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het herzieningsverzoek wordt afgewezen omdat sprake is van een gezamenlijke huishouding met wederzijdse zorg.