ECLI:NL:CRVB:2015:590
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering WW-uitkering wegens niet gemelde werkzaamheden
Appellant ontving WW-uitkeringen in twee periodes tussen 2006 en 2010. Het UWV stelde op basis van een rapport werknemersfraude dat appellant tijdens deze periodes werkzaamheden bleef verrichten voor zijn werkgever, zonder dit te melden. Hierdoor werd de WW-uitkering ingetrokken en teruggevorderd. De rechtbank oordeelde dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd hoeveel uren appellant werkte, waardoor het besluit deels onrechtmatig was, en gaf het UWV de mogelijkheid dit te herstellen.
Het UWV wijzigde het besluit en baseerde de intrekking op artikel 22a van de WW, omdat appellant zijn inlichtingenplicht schond door niet te melden dat hij werkte. Appellant voerde aan dat hij geen financieel voordeel had en dat een schatting van 12,5 uur per week redelijk was, maar kon dit niet met verifieerbare gegevens onderbouwen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV terecht het besluit had gewijzigd en dat het niet nakomen van de inlichtingenplicht ertoe leidde dat niet kon worden vastgesteld of recht op uitkering bestond. De Raad bevestigde het bestreden besluit en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking en terugvordering van de WW-uitkering wordt bevestigd.