ECLI:NL:CRVB:2015:575
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen door werkgever
De zaak betreft het hoger beroep van een werkgever tegen het besluit van het UWV om een loonsanctie op te leggen wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen tijdens de ziekte van een werknemer. Het UWV had het recht op loon tijdens ziekte verlengd met 52 weken omdat de werkgever onvoldoende had voldaan aan haar re-integratieverplichtingen zonder daarvoor een deugdelijke grond te hebben.
De rechtbank had eerder het beroep ongegrond verklaard, stellende dat de werkgever tekort was geschoten in haar re-integratie-inspanningen, mede doordat de bedrijfsarts onvoldoende had gekeken naar passende arbeid op basis van de functionele mogelijkheden van de werknemer. De werkgever had de mogelijkheid gehad het traject zelf te sturen, bijvoorbeeld door een deskundigenoordeel aan te vragen, maar had dit nagelaten.
In hoger beroep herhaalde de werkgever haar standpunt dat zij voldoende inspanningen had verricht en dat de diagnose ziekte van Lyme door bedrijfsartsen was bevestigd, waarop zij mocht vertrouwen. Het UWV handhaafde haar standpunt dat ook andere oorzaken onderzocht hadden moeten worden en dat de re-integratie-inspanningen onvoldoende waren.
De Raad oordeelde dat de werkgever zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen had verricht, mede op basis van medische rapporten en het feit dat de werknemer slechts beperkt was hervat in werkuren terwijl er geen objectieve medische beperkingen waren voor volledige werkhervatting. De Raad bevestigde dat de verantwoordelijkheid voor re-integratie bij de werkgever ligt en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen wordt bevestigd en het hoger beroep van de werkgever wordt afgewezen.