Uitspraak
.Voor appellant is verschenen mr. De Jongh. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.F.H. Molema.
Centrale Raad van Beroep
Appellant vroeg bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand en gaf aan te leven van een investeringsproject en een geldlening van €100.000,- van een derde. Hij beschikte niet over een eigen bankrekening en ontving betalingen contant. Het dagelijks bestuur wees de aanvraag af omdat appellant onvoldoende inzicht gaf in zijn financiële situatie voorafgaand aan de aanvraag.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij voldoende informatie had verstrekt, mede gezien de ongebruikelijke wijze van levensonderhoud via contante betalingen en een geldlening, en verwees naar een eerdere uitspraak van de Raad.
De Raad oordeelde echter dat appellant niet aannemelijk had gemaakt hoe hij in zijn levensonderhoud voorzag, omdat geen objectieve, verifieerbare gegevens waren overgelegd over de betalingen door de geldgever, noch over de periode vlak voor de aanvraag. Hierdoor kon niet worden vastgesteld dat appellant in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde.
De Raad concludeerde dat appellant niet alles had gedaan wat redelijkerwijs van hem kon worden verlangd om inzicht te geven in zijn financiële situatie en bevestigde daarom de eerdere uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de bijstandsuitkering wegens onvoldoende aannemelijkheid van bijstandbehoevendheid.