ECLI:NL:CRVB:2015:4960

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 december 2015
Publicatiedatum
6 januari 2016
Zaaknummer
15/2841 AWBZ
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:11 AwbAlgemene Wet Bijzondere Ziektekosten
Verwijzingen
6 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaarschrift niet-ontvankelijk wegens niet tijdig indienen bij AWBZ-pgb

Het Zorgkantoor kende betrokkene een persoonsgebonden budget (pgb) toe voor begeleiding over de periode oktober 2011 tot juni 2012. Vervolgens werd het pgb vastgesteld en teruggevorderd wegens onrechtmatigheden. Betrokkene maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar deed dit na afloop van de wettelijke termijn.

De rechtbank oordeelde aanvankelijk dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was vanwege de psychische stoornis van betrokkene en diens onvermogen om hulp te vragen, mede ondersteund door een brief van de behandelend psychiater. De rechtbank vernietigde het besluit en bepaalde dat het Zorgkantoor een nieuwe beslissing moest nemen.

De Centrale Raad van Beroep kwam echter tot een ander oordeel. Zij stelde dat betrokkene weliswaar beperkingen had, maar in staat was een zorgverlener in te schakelen en dat het op zijn weg lag om voorzieningen te treffen voor de afhandeling van zijn post. Ook vond de Raad geen reden waarom de broer van betrokkene niet eerder bezwaar had gemaakt toen hij op de hoogte was van de situatie.

Daarom verklaarde de Raad het bezwaarschrift terecht niet-ontvankelijk en vernietigde de uitspraak van de rechtbank. Het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het bezwaarschrift is terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen en de termijnoverschrijding is niet verschoonbaar.

Uitspraak

15/2841 AWBZ
Datum uitspraak: 30 december 2015
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 19 maart 2015, 14/7339 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
VGZ Zorgkantoor B.V. (Zorgkantoor)
[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
PROCESVERLOOP
Het Zorgkantoor heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. G.J. de Kaste een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2015. Het Zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.I. Algoe. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. De Kaste.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Het Zorgkantoor heeft aan betrokkene op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) over de periode van 27 oktober 2011 tot en met 9 juni 2012 een persoonsgebonden budget (pgb) toegekend van in totaal € 3.543,28 voor de zorgfunctie Begeleiding. Bij besluiten van 20 juni 2012 en 3 december 2012 heeft het Zorgkantoor het pgb over 2011 en 2012 vastgesteld en in totaal € 3.547,97 van betrokkene teruggevorderd. Op 11 juli 2014 heeft betrokkene bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 20 juni 2012 en
3 december 2012.
1.2.
Bij besluit van 5 september 2014 (bestreden besluit) heeft het Zorgkantoor het bezwaar tegen de besluiten van 20 juni 2012 en 3 december 2012 niet-ontvankelijk verklaard. Betrokkene heeft niet binnen de termijn van artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bezwaar gemaakt en er is geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van Pro de Awb.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het Zorgkantoor een nieuwe beslissing op het bezwaar dient te nemen. De rechtbank heeft verwezen naar een uitspraak van de Raad van 4 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX0565, die volgens de rechtbank een nagenoeg vergelijkbaar geval betreft. Uit de door betrokkene overgelegde brief van zijn behandelend psychiater van 17 juni 2014 heeft de rechtbank opgemaakt dat betrokkene wegens zijn stoornis niet goed in staat is problemen te onderkennen en hulp te vragen. Personen uit de sociale omgeving van betrokkene hebben deze beperkingen in het functioneren niet kunnen opvangen, omdat zij niet wisten hoe de situatie was. Betrokkene heeft alle brieven genegeerd en dit niet aan anderen kenbaar gemaakt. Deze omstandigheden geven aanleiding een termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.
3. Het Zorgkantoor heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Het Zorgkantoor heeft aangevoerd dat de uitspraak waar de rechtbank naar heeft verwezen niet vergelijkbaar is met de zaak van betrokkene. Tevens beschikte betrokkene over een indicatie voor begeleiding om hem bij het bijhouden en ordenen van zijn administratie te ondersteunen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Vaststaat dat betrokkene het bezwaarschrift tegen de besluiten van 20 juni 2012 en
3 december 2012 na afloop van de bezwaartermijn heeft ingediend. In geschil is daarom enkel of de termijnoverschrijding verschoonbaar is.
4.2.
Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat het Zorgkantoor in hetgeen betrokkene heeft aangevoerd terecht geen aanleiding heeft gezien om
niet-ontvankelijkverklaring met toepassing van artikel 6:11 van Pro de Awb achterwege te laten.
4.3.
Indien een belanghebbende stelt dat het niet tijdig indienen van een bezwaarschrift het gevolg is van een niet aan hem toe te rekenen omstandigheid, rust op hem de last de feiten aannemelijk te maken op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij in verzuim is geweest. Voor zover betrokkene niet in staat was om zelf zorg te dragen voor de (tijdige) afhandeling van zijn post en administratie, lag het op de weg van betrokkene om daarvoor een voorziening te treffen. Niet is gebleken dat dit niet mogelijk was. De door betrokkene overgelegde brief van zijn behandelend psychiater van 17 juni 2014 biedt daarvoor onvoldoende aanknopingspunten. Uit deze brief blijkt weliswaar dat betrokkene zich de laatste jaren wegens zijn stoornis sterk heeft verwaarloosd en niet in staat was praktische zaken voor zichzelf goed te regelen, maar ook dat betrokkene in staat was om een zorgverlener in te schakelen en deze voor de geboden hulp te betalen. Daarnaast valt niet in te zien waarom de broer van betrokkene, nadat hij medio 2013 op de hoogte raakte van de situatie van betrokkene, niet alsnog zo spoedig mogelijk bezwaar heeft gemaakt. Dit betekent dat het bezwaarschrift van betrokkene terecht niet-ontvankelijk is geacht.
4.4.
De rechtbank heeft het voorgaande niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren.
5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 5 september 2014 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en J.P.A. Boersma en L.M. Tobé als leden, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 december 2015.
(getekend) H.J. de Mooij
(getekend) M.S.E.S. Umans

AP