ECLI:NL:CRVB:2015:4733
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens niet-gemelde stortingen van moeder
Appellante ontving vanaf 23 maart 2012 bijstand op grond van de WWB. De gemeente heeft bij een heronderzoek geconstateerd dat appellante gedurende de periode maart tot en met augustus 2012 regelmatig bedragen van haar moeder ontving, die niet waren gemeld.
Het college besloot daarom de bijstand over deze periode te herzien en de kosten van bijstand terug te vorderen tot een bedrag van €3.947,58. De rechtbank heeft dit bedrag verlaagd naar €2.990,06, omdat appellante aannemelijk maakte dat een deel van de bedragen was aangewend voor specifieke kosten.
In hoger beroep betwist appellante deze vaststelling, onder meer met het argument dat de stortingen bestemd waren voor specifieke aankopen en dat zij niet vrijelijk over de bedragen kon beschikken. De Raad oordeelt dat de stortingen als inkomen moeten worden aangemerkt, ongeacht de bestedingsdoelen, en dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet vrij over de bedragen kon beschikken.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom het oordeel van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van bijstand wegens niet-gemelde stortingen van moeder.