ECLI:NL:CRVB:2015:4646

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 december 2015
Publicatiedatum
18 december 2015
Zaaknummer
14/3168 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen recht op ziekengeld wegens geschiktheid voor WIA-functies

Appellante was werkzaam als medewerker algemeen schoonmaakonderhoud en meldde zich ziek vanwege knieklachten, waarna zij meerdere operaties onderging. Zij vroeg een WIA-uitkering aan, maar het UWV stelde vast dat zij geschikt was voor functies binnen de WIA-beoordeling en wees de uitkering af. Ook haar bezwaar en beroep bij de rechtbank werden ongegrond verklaard.

Na een nieuwe ziekmelding en een daaropvolgend besluit van het UWV dat zij geen recht had op ziekengeld wegens geschiktheid voor WIA-functies, stelde appellante hoger beroep in. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af, omdat het besluit was gebaseerd op een zorgvuldig en gemotiveerd medisch onderzoek.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak, oordeelde dat het onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep zorgvuldig en volledig was, en dat appellante inderdaad geschikt is voor ten minste één functie binnen de WIA-beoordeling. Het verzoek om benoeming van een onafhankelijke deskundige en om schadevergoeding werd afgewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het recht op ziekengeld wordt ontzegd; het verzoek om schadevergoeding wordt eveneens afgewezen.

Uitspraak

14//3168 ZW
Datum uitspraak: 17 december 2015
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van
17 april 2014, 14/133 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. W.P.J.M. van Gestel hoger beroep ingesteld en nadere medische stukken ingediend.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaak 14/600 WIA plaatsgevonden op
5 november 2015. Appellante is - met voorafgaand bericht - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als medewerker algemeen schoonmaakonderhoud voor 30 uren per week. Met ingang van 9 maart 2011 heeft zij zich ziekgemeld wegens hevige pijnklachten aan haar rechterknie. Op 29 augustus 2011 is appellante geopereerd waarbij een standsafwijking van het rechteronderbeen is gecorrigeerd. Op 14 mei 2012 is appellante wederom geopereerd ter verwijdering van het fixatiemateriaal.
1.2.
Op 22 januari 2012 heeft appellante een aanvraag ingediend om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig advies heeft het Uwv bij besluit van 16 januari 2013 vastgesteld dat appellante met ingang van 6 maart 2013 geen recht heeft op een
WIA-uitkering, omdat zij in staat wordt geacht de bij de WIA-beoordeling door de arbeidsdeskundige voorgehouden functies te verrichten, waarmee zij minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is, na advies van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, ongegrond verklaard bij beslissing op bezwaar van 18 juni 2013. Het daartegen ingestelde beroep heeft de rechtbank Oost-Brabant ongegrond verklaard. Op het hoger beroep tegen deze uitspraak onder nummer 14/600 WIA wordt heden eveneens uitspraak gedaan.
1.3.
Appellante heeft zich opnieuw ziek gemeld per 9 juli 2013 met toegenomen klachten waarbij zij heeft vermeld dat er op dat moment een definitieve diagnose is. Na onderzoek door een verzekeringsarts heeft het Uwv bij besluit van 6 september 2013 beslist dat appellante met ingang van 9 september 2013 geen recht heeft op ziekengeld, omdat zij geschikt wordt geacht voor de in het kader van de WIA-beoordeling geduide functies. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv, na advies van een verzekeringsarts bezwaar en beroep, ongegrond verklaard bij beslissing op bezwaar van 2 december 2013 (bestreden besluit).
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het bestreden besluit is gebaseerd op een zorgvuldig tot stand gekomen en deugdelijk gemotiveerd rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. In dit rapport is inzichtelijk gemaakt dat appellante met inachtneming van de objectiveerbare medische beperkingen in staat is om op de datum in geding in ieder geval één van de in het kader van de WIA-beoordeling geduide functies te verrichten. Op basis van de dossierstukken is een volledig beeld van de gezondheidssituatie van appellante ontstaan. Gelet hierop heeft de rechtbank geen aanleiding gezien een deskundige te benoemen.
3.1.
Appellante is van mening dat de rechtbank en de artsen van het Uwv haar beperkingen hebben onderschat. Voorts heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het benoemen van een onafhankelijke deskundige niet nodig is. Verzocht is om in hoger beroep alsnog een onafhankelijke deskundige te benoemen.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het bestreden besluit tot stand is gekomen op basis van een zorgvuldig onderzoek. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft een zorgvuldig en volledig onderzoek gedaan naar de gezondheidstoestand van appellante. Dat onderzoek heeft bestaan uit lichamelijk onderzoek, een onderzoek naar de psyche van appellante en dossierstudie. Zijn bevindingen en conclusies zijn neergelegd in het rapport van 25 november 2013. De rechtbank heeft terecht overwogen dat een volledig beeld van de gezondheidssituatie van appellante is ontstaan. Er is gezien het rapport van 25 november 2013 waarin de informatie van de behandelaars van appellante op inzichtelijke wijze is betrokken bij de beoordeling van deze verzekeringsarts, geen twijfel gerezen over de juistheid van de grondslag van het bestreden besluit zodat ook in hoger beroep geen aanleiding wordt gezien een deskundige te benoemen.
4.2.
Uitgaande van de juistheid van de voor appellante vastgestelde belastbaarheid heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat appellante in staat moet worden geacht ten minste één in het kader van de WIA-beoordeling voorgehouden functies te kunnen verrichten. Met ingang van 9 september 2013 bestaat dan ook geen recht op ziekengeld.
4.3.
Dit betekent dat het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet slaagt en dat deze uitspraak zal worden bevestigd.
4.4.
Nu het hoger beroep niet slaagt, is er geen ruimte voor een veroordeling tot schadevergoeding. Het verzoek zal dan ook worden afgewezen.
5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • wijs het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en M.C. Bruning en
F.M.S. Requisizione als leden, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 december 2015.
(getekend) M. Greebe
(getekend) M.S.E.S. Umans

IJ