ECLI:NL:CRVB:2015:4645
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering wegens voldoende medische en arbeidskundige grondslag
Appellante was werkzaam als medewerker schoonmaakonderhoud en meldde zich ziek wegens ernstige knieklachten. Na twee operaties vroeg zij een WIA-uitkering aan, die door het UWV werd afgewezen op basis van verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig advies. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, stellende dat de beperkingen van appellante juist waren vastgesteld en de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) adequaat was gemotiveerd.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat de rechtbank ten onrechte de medische informatie van haar behandelend artsen niet had afgewacht en dat zij de door het UWV geduide functies niet kon vervullen. Zij overlegde nieuwe medische rapporten van een orthopeed en psychiater. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat de rechtbank terecht geen aanleiding zag om de aanvullende medische informatie af te wachten en dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep deze informatie reeds had betrokken in zijn beoordeling.
De Raad concludeerde dat de beperkingen van appellante niet waren onderschat en dat de FML een juist beeld gaf van haar mogelijkheden. De geschiktheid van de functies was daarmee terecht vastgesteld. Het hoger beroep werd afgewezen en het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om WIA-uitkering en schadevergoeding wordt afgewezen.