ECLI:NL:CRVB:2015:4588

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 december 2015
Publicatiedatum
16 december 2015
Zaaknummer
15/3407 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens termijnoverschrijding Ziektewet

Appellante ontving op 13 oktober 2014 een besluit van het UWV dat haar Ziektewetuitkering per 14 november 2014 werd stopgezet omdat zij naar verwachting meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen met bepaalde functies. Tegen dit besluit maakte zij bezwaar, maar het UWV verklaarde dit bezwaar niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de zeswekentermijn voor het indienen van bezwaar.

De rechtbank Overijssel oordeelde dat het bezwaarschrift niet tijdig was ingediend en dat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het bezwaar op 3 november 2014 was verzonden. Appellante stelde in hoger beroep dat zij met een pagina uit het postboek aannemelijk had gemaakt dat het bezwaar tijdig was verzonden.

De Centrale Raad van Beroep stelt vast dat het besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt en dat de termijn voor bezwaar eindigde op 24 november 2014. De overgelegde postboekpagina is onvoldoende bewijs dat het bezwaarschrift daadwerkelijk op 3 november 2014 is verzonden. Bovendien wist appellante op 20 november 2014 dat het bezwaar niet was ontvangen en diende zij alsnog een bezwaarschrift in met poststempel 25 november 2014, na afloop van de termijn.

De Raad oordeelt dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die de termijnoverschrijding verschoonbaar maken. Het hoger beroep faalt en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift wegens termijnoverschrijding wordt bevestigd.

Uitspraak

15/3407 ZW
Datum uitspraak: 10 december 2015
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van
7 april 2015, 15/144 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft J.H.M. Bos hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2015. Namens appellante is J.H.M. Bos verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Smit.

OVERWEGINGEN

1.1.
Bij besluit van 13 oktober 2014 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat zij met ingang van 14 november 2014 geen recht meer heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW), omdat zij in staat wordt geacht meer dan 65% van haar maatmaninkomen te verdienen met het vervullen van de functies doktersassistente, wikkelaar/samensteller elektronische apparatuur en inpakker (handmatig). Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt.
1.2.
Bij besluit van 9 januari 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar
niet-ontvankelijk verklaard wegens het overschrijden van de voor het indienen van het bezwaarschrift geldende termijn van zes weken en het ontbreken van bijzondere omstandigheden waardoor appellante niet in de gelegenheid was tijdig bezwaar te maken.
2. Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
2.1.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Zij heeft geoordeeld dat de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift eindigde op 24 november 2014 en dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt het bezwaarschrift, zoals zij heeft gesteld, op 3 november 2014 te hebben verzonden. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld geen reden te zien om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.
3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij met het overleggen van de betreffende pagina uit het postboek, niet aannemelijk heeft gemaakt het bezwaarschrift tijdig te hebben verzonden.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Ingevolge artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. In artikel 6:8 van Pro de Awb is bepaald dat deze termijn aanvangt met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Artikel 6:9 van Pro de Awb bepaalt dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen of, bij verzending per post, indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.
4.2.
Niet in geschil is dat het besluit van 13 oktober 2014 op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, zodat ervan wordt uitgegaan dat de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift eindigde op 24 november 2014. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat met het overleggen van de pagina uit het ‘postboek’ van de gemachtigde van appellante, waarin onder de datum 3 november 2014 vermeld wordt ‘ [naam bezwaarschrift] ’, niet aannemelijk is gemaakt dat het bezwaarschrift daadwerkelijk op de in het boek vermelde datum ter post is bezorgd. Appellante wist op 20 november 2014, dus voor het einde van de bezwaartermijn, dat het Uwv geen bezwaarschrift van haar had ontvangen. Zij heeft alsnog een bezwaarschrift ingediend. De poststempel op de envelop waarbij het bezwaarschrift is verzonden, is van 25 november 2014. Dat betekent dat het bezwaarschrift na afloop van de termijn voor het indienen van bezwaar, en daarmee niet tijdig, is verzonden.
4.3.
In artikel 6:11 van Pro de Awb is bepaald dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, vormt geen aanleiding de overschrijding van de termijn verschoonbaar te achten.
4.4.
Uit wat in 4.1 tot en met 4.3 is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en E.W. Akkerman en
F.M.S. Requisizione als leden, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 december 2015.
(getekend) M.C. Bruning
(getekend) W. de Braal

IJ