ECLI:NL:CRVB:2015:421

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 februari 2015
Publicatiedatum
17 februari 2015
Zaaknummer
14-4667 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 Verordening afstemming en handhaving WWB Rotterdam 2013Art. 8 WWBArt. 9 WWBArt. 18, tweede lid WWBArt. 37 IOAW
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling verbindende kracht artikel 6 Verordening 2013 bij verlaging bijstand

Betrokkene ontving bijstand en weigerde twee door het college aangeboden trajecten te volgen. Het college verlaagde daarop de bijstand met 100% gedurende één maand op grond van artikel 6 van Pro de Verordening 2013. De rechtbank vernietigde dit besluit omdat artikel 6 geen Pro verbindende kracht heeft vanwege het ontbreken van voldoende criteria voor het vaststellen van hoogte en duur van de maatregel.

In hoger beroep betoogde het college dat artikel 6, mede gezien de toelichting, wel voldoende criteria bevatte. De Raad overwoog dat voor een bijstandsgerechtigde uit de verordening zelf duidelijk moet blijken welke gevolgen aan zijn gedraging kunnen worden verbonden en dat de toelichting slechts verduidelijkend is en geen criteria kan toevoegen.

De Raad concludeerde dat artikel 6 van Pro de Verordening 2013 geen onderscheid maakt tussen lichte en gewone verplichtingen en tussen het niet of onvoldoende nakomen daarvan, waardoor het college zijn verordenende bevoegdheid niet juist heeft uitgevoerd. Dit leidt tot het oordeel dat artikel 6 in Pro zijn geheel verbindende kracht mist.

Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het college werd veroordeeld in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit tot verlaging van de bijstand wordt vernietigd wegens het ontbreken van verbindende kracht van artikel 6 van de Verordening 2013.

Uitspraak

14/4667 WWB
Datum uitspraak: 17 februari 2015
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
25 juli 2014, 13/7701 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (appellant)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. P. Hanenberg, advocaat, een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2014. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Duivenvoorde en mr. I. Plaisier. Namens betrokkene is mr. Hanenberg verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Betrokkene ontvangt bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). In een gesprek met betrokkene op 16 mei 2013 heeft de klantmanager twee trajecten met betrokkene besproken waaruit betrokkene mocht kiezen. Bij e-mailbericht van 17 mei 2013 heeft betrokkene laten weten dat zij van beide trajecten afziet, omdat zij op zoek wil gaan naar een betaalde baan van 32 uur per week. De klantmanager heeft betrokkene daarop bij
e-mailbericht van 21 mei 2013 meegedeeld dat zij één van beide trajecten moet accepteren en daartoe een keuze moet maken tussen beide trajecten. Betrokkene heeft daar niet op gereageerd.
1.2.
Bij besluit van 17 juli 2013 heeft appellant de bijstand van betrokkene bij wijze van maatregel met ingang van 1 augustus 2013 voor de duur van één maand met 100% verlaagd.
1.3.
Bij besluit van 18 oktober 2013 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 17 juli 2013 ongegrond verklaard. Daaraan heeft appellant ten grondslag gelegd dat een door appellant aangeboden traject met uitzicht op een baan door toedoen van betrokkene geen doorgang heeft kunnen vinden. Dit levert volgens artikel 6, derde lid, aanhef en onder b, van de Verordening afstemming en handhaving WWB, IOAW, IOAZ Rotterdam 2013 (Verordening 2013) een maatregel op van 100% gedurende een maand.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het besluit van 17 juli 2013 herroepen en bepaald dat de aangevallen uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 12 juni 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:4752, geoordeeld dat artikel 6 van Pro Verordening 2013 in zijn geheel verbindende kracht mist.
3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB stelt de gemeenteraad regels vast met betrekking tot het verlagen van de bijstand, bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de WWB. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 14 maart 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP6843) is hiermee aan de gemeenteraad de exclusieve bevoegdheid toegekend om regels vast te stellen met betrekking tot onder meer het verlagen van de bijstand wegens het niet nakomen van aan de bijstand verbonden verplichtingen. Zoals de Raad eveneens eerder heeft overwogen (uitspraak van 8 juli 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD6943) dient deze verordening met name criteria te bevatten om de hoogte en de duur van de verlaging te kunnen vaststellen.
4.2.
De Raad heeft bij uitspraak van 25 februari 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:608) met betrekking tot artikel 8 van Pro de Verordening afstemming en handhaving WWB Rotterdam 2009 (Verordening 2009) geoordeeld dat de Verordening 2009, zoals gewijzigd met ingang van 1 juli 2011, geen criteria bevat op grond waarvan de hoogte en de duur van een maatregel per gedraging kan worden bepaald. Aan de orde is de vraag of de Verordening 2013, die met ingang van 1 april 2013 in werking is getreden, deze criteria wel bevat.
4.3.
Artikel 6 van Pro de Verordening 2013 luidt als volgt:
Re-integratie en werkloosheid
1. Het niet of onvoldoende nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel 9 van Pro de WWB, artikel 37 van Pro de IOAW, artikel 37 van Pro de IOAZ of het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, leidt tot een schriftelijke waarschuwing of een maatregel, tenzij de IOAW of IOAZ op grond van artikel 3 van Pro deze verordening wordt geweigerd.
2. Bij een lichte verplichting wordt volstaan met een schriftelijke waarschuwing.
3. De hoogte van de maatregel in verband met een gedraging, als bedoeld in het eerste lid, bedraagt bij:
a. het onvoldoende nakomen van een verplichting: 30% gedurende een maand;
b. het niet nakomen van een verplichting of het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid: 100% gedurende een maand.
4.4.
Appellant heeft aangevoerd dat hoewel de tekst van artikel 8 van Pro de Verordening 2009 en artikel 6 van Pro de Verordening 2013 gelijkluidend zijn, artikel 6 van Pro de Verordening 2013, in het bijzonder bezien in relatie tot de bij deze verordening behorende integrale toelichting, wel voldoende criteria bevat om maatregelwaardige gedragingen te kunnen onderscheiden.
4.5.
De Raad stelt voorop dat voor een bijstandsgerechtigde uit de verordening zelf duidelijk moet blijken welke gevolgen door het college aan zijn gedraging kunnen worden verbonden. De toelichting is niet de plaats waar de criteria moeten worden opgenomen. Deze is hooguit bedoeld om de in de verordening opgenomen criteria te verduidelijken. In artikel 6 van Pro de Verordening 2013 ontbreken de criteria om het onderscheid te maken tussen een lichte en een gewone verplichting en tussen het niet of onvoldoende nakomen van een dergelijke verplichting. Dit voert tot de conclusie dat de gemeenteraad met artikel 6 van Pro de Verordening 2013 geen juiste uitvoering heeft gegeven aan de hem in het kader van artikel 8 van Pro de WWB toegekende verordenende bevoegdheid. Het standpunt van appellant dat deze criteria in de toelichting op de Verordening 2013 voldoende zijn omschreven, leidt dan ook niet tot een andere conclusie, nog daargelaten dat ook de toelichting, hoewel uitgebreider dan de toelichting bij de Tweede wijziging van Verordening 2009, nog steeds onvoldoende onderscheid aanbrengt tussen de lichte en gewone verplichting en tussen het niet of onvoldoende nakomen van een verplichting. Nu de Verordening 2013 derhalve onvoldoende criteria bevat om de hoogte en de duur van de verlaging van de algemene bijstand te kunnen vaststellen, betekent dit dat artikel 6 van Pro de Verordening 2013 in zijn geheel verbindende kracht mist.
4.6.
Uit 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Aanleiding bestaat om appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 980,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt appellant in de kosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van
€ 980,-;
- bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 493,- wordt geheven.
Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen als voorzitter en J.F. Bandringa en C.H. Rombouts als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2015.
(getekend) M. Hillen
(getekend) M.S. Boomhouwer

HD