ECLI:NL:CRVB:2015:4057
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek financiële tegemoetkoming vakantie AWBZ-geïndiceerde
Appellante, een AWBZ-geïndiceerde met ZZP VG06, verzocht het Zorgkantoor om een bedrag voor het financieren van een vakantie van twee weken buiten de AWBZ-instelling waar zij verblijft. Het Zorgkantoor wees dit verzoek af, verwijzend naar de Regeling Subsidies AWBZ die geen financiële tegemoetkoming anders dan een persoonsgebonden budget (pgb) toestaat voor verzekerden die in een AWBZ-instelling verblijven.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze afwijzing ongegrond, omdat het Zorgkantoor conform de wettelijke regeling handelde. Appellante stelde in hoger beroep dat het Zorgkantoor de zorginstelling zou moeten korten voor de periode van afwezigheid en het bespaarde bedrag aan haar zou moeten uitkeren voor inhuur van zorg tijdens vakantie.
De Raad oordeelde dat de wettelijke systematiek geen ruimte biedt voor een dergelijke financiële tegemoetkoming buiten het pgb. Artikel 2.6.4 van de Regeling Subsidies AWBZ sluit toegekende pgb’s uit voor verzekerden die op de aanvraagdatum in een AWBZ-instelling verblijven. De wijze waarop de zorgaanbieder zijn bedrijfsvoering inricht, verandert hier niets aan.
De Raad wees appellante op de mogelijkheid om vakantie te vieren in een andere AWBZ-instelling, in overleg met haar huidige zorginstelling. De Raad zag geen reden om de zaak terug te verwijzen en wees het hoger beroep af, waarbij ook geen proceskosten werden toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om financiële tegemoetkoming voor vakantie wordt afgewezen.