Uitspraak
,met bericht
,niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Koning.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving vanaf 2000 een WAO-uitkering, die in 2005 werd ingetrokken en in 2006 opnieuw toegekend. Het UWV corrigeerde later de arbeidsongeschiktheidspercentages over 2007 en 2008 en vorderde terugbetalingen wegens onverschuldigde betalingen. De rechtbank verklaarde de beroepen van appellant tegen deze terugvorderingen ongegrond en verwierp het verjaringsverweer.
In hoger beroep stelde appellant dat hij zijn inkomsten al in 2007 had gemeld en dat het UWV administratieve fouten maakte, waardoor de verjaringstermijn eerder zou zijn begonnen. Ook betoogde hij dat terugvordering onredelijk was en in strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat het UWV oudere fraudezaken niet verder onderzocht.
De Raad oordeelde dat de verjaringstermijn begint te lopen vanaf het moment dat het bestuursorgaan daadwerkelijk bekend is met de feiten die leiden tot de vordering. De eerste datum waarop het UWV bekend was met de inkomsten was 17 februari 2009, toen een formulier werd ontvangen. Eerdere documenten bevatten geen concrete aanwijzingen. Hierdoor was de terugvordering in 2013 niet verjaard.
Verder stelde de Raad vast dat het UWV op grond van artikel 57 WAO Pro verplicht was tot terugvordering en dat het lange tijdsverloop geen reden was om daarvan af te zien. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat de situaties niet vergelijkbaar waren. Ook was er geen dringende reden om af te zien van terugvordering.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de terugvordering van onverschuldigd betaalde WAO-uitkering niet is verjaard en wijst het hoger beroep af.