ECLI:NL:CRVB:2015:3955
Centrale Raad van Beroep
- Tussenuitspraak bestuurlijke lus
- Rechtspraak.nl
Onvoldoende onderzoek en gebrekkige motivering in AWBZ-indicatiebesluit fysiotherapie
Appellante, bekend met atriumfibrilleren, een bovenbeenprothese en vermoedelijke psychiatrische problematiek, had een indicatie voor AWBZ-zorg voor begeleiding individueel en persoonlijke verzorging. Na een aanvraag tot uitbreiding van zorg besloot het CIZ de indicatie te beperken en verklaarde bezwaar ongegrond. De rechtbank vernietigde dit besluit wegens onvoldoende motivering en onvoldoende rekening houden met ernstige fysieke beperkingen.
In hoger beroep stelde appellante dat het medisch onderzoek door de medisch adviseur van CIZ onvoldoende was en dat fysiotherapie ten onrechte als voorliggende voorziening werd aangemerkt. De Raad oordeelde dat het onderzoek niet voldeed aan de wettelijke eisen omdat de medisch adviseur niet met de behandelend geriater contact had opgenomen om duidelijkheid te verkrijgen over de rol van fysiotherapie bij valneiging en verminderde mobiliteit.
De Raad concludeerde dat het bestreden besluit gebaseerd was op onvoldoende onderzoek en gebrekkige motivering, in strijd met artikel 6 van Pro het Zorgindicatiebesluit en de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. De Raad draagt het CIZ op binnen zes weken de gebreken te herstellen door nader medisch onderzoek te verrichten, waarmee het geschil definitief kan worden beslecht.
Uitkomst: Het besluit van 5 februari 2014 wordt vernietigd wegens onvoldoende onderzoek en gebrekkige motivering; het CIZ moet binnen zes weken nader medisch onderzoek verrichten.