ECLI:NL:CRVB:2015:3906
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen door werkgever
Appellante was werkgever van een werknemer die zich op 22 oktober 2010 ziek meldde en op 8 oktober 2012 een WIA-uitkering aanvroeg. Het UWV stelde vast dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen had verricht, mede omdat de bedrijfsarts pas op 13 februari 2012 de functionele mogelijkheden van de werknemer in kaart bracht en geen onderbouwde beoordeling gaf van diens belastbaarheid daarvoor.
Het UWV legde daarom een loonsanctie op, die appellante aanvocht via bezwaar en beroep. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de bedrijfsarts geen gemotiveerde beschrijving had gegeven van de belastbaarheid van de werknemer vóór 13 februari 2012 en dat appellante onvoldoende had gedaan om de werknemer te laten hervatten in passend werk.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij conform de geldende richtlijnen had gehandeld en dat de bedrijfsarts de medische situatie juist had beoordeeld. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat de bedrijfsarts onvoldoende had onderbouwd dat de werknemer vóór 13 februari 2012 niet belastbaar was en dat appellante als werkgever verantwoordelijk is voor de kwaliteit van de adviezen van haar bedrijfsarts.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en oordeelde dat de loonsanctie terecht is opgelegd omdat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen had verricht en niet mocht vertrouwen op een niet-onderbouwde medische beoordeling. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De loonsanctie tegen appellante wordt bevestigd wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen.